Ierse geschiedenis in vogelvlucht.

Circa 7000 voor Christus
V
anuit Noord-Engeland vestigen de eerste jagers en verzamelaars zich in Ierland. Vier eeuwen later, dus rond 3000 voor Christus trekken er nieuwe volken van onbekende afkomst naar het eiland. Zij brengen onder andere de akkerbouw met zich mee. Omstreeks 2000 voor Christus kwamen nieuwe immigranten op de proppen. Deze lieden hadden kennis van de mijnbouw en van metaalbewerking. Het stenen tijdperk ging aldus in Ierland over in de bronstijd. Vanaf de vijfde eeuw voor Christus hadden verschillende Keltische stammen voet aan land gezet in Ierland. De Kelten, die met hun ijzeren wapens de bronzen verdedigingsmiddelen makkelijk de baas waren, legden de oorspronkelijke bevolking hun taal en beschaving op door in de 'elite' te infiltreren.

Rond het begin van onze jaartelling was vrijwel geheel Ierland Keltisch. De verschillende stammen vormden niet één rijk, maar verschillende koninkrijkjes, de zogeheten tuatha (tuath = volk). Deze volken sloten zich in los-vaste verbanden aaneen in vijf provincies: Ulster, Munster, Leinster, Connaught en Meath (midhe). Iedere provincie stond onder leiding vann een koning. De Romeinen, die op het Europese continent en in een gedeelte van Engeland, de Kelten hadden verjaagd of onderworpen, lieten Ierland letterlijk links liggen. Daardoor kon de Keltische cultuur zich lang handhaven. Kenmerkend voor die cultuur is het gebrek aan een geschreven taal. Daardoor moesten alle kennis, literatuur en wetten door geleerden van generatie op generatie mondeling worden doorgegeven. Alleen voor korte inscripties op bepaalde gedenkstenen werd een soort runenschrift (Ogham) gebruikt. Mede hierdoor duurde tot in de vijfde eeuw voordat een eerste vaststaand jaartal in de Ierse geschiedenis opduikt.

In 431 werd te Rome ene Palladius tot "bisschop van alle gelovige Ieren' benoemd. Over deze figuur is niet veel bekend. Waarschijnlijk werkte hij voornamelijk in het zuiden. Zijn opvolger was de legendarische Saint Patrick. Over deze patroonheilige van Ierland doen allerhande wilde verhalen de ronde. Zo zou hij alle slangen en giftige dieren van het eiland hebben verjaagd. Het was ook Saint Patrick die de heilige drie-eenheid verklaarde door middel van een klavertje drie tot op de dag van vandaag één van bekendste nationale symbolen. Aan het einde van de achtste eeuw werd het bloeiende culturele leven in Ierland ruw opgeschrikt door de invallen van de Noormannen. Deze Vikingen stichtten in de negende en tiende eeuw vele nederzettingen op de Britse eilanden. In Ierland, dat nog geen steden kende, groeiden deze nederzettingen als zodanig uit. In 841 werd Dublin gesticht. Het was in eerste instantie een versterkte haven voor de Vikingen. In 870 maakte Olaf de Witte, een Noorse legerleider van Dublin de hoofdstad van zijn kolonie. In de mellee van wisselende coalities tussen inheemse koningen en Noormannen zag uiteindelijk in 1002 koning Brian Boru zijn kans schoon om als 'opperkoning' over bijna het hele (ei)land te heersen. Dat leidde tot een grote krachtmeting tussen de Vikingen en hun bondgenoten en Brian Boru en de zijnen. Hoewel de koning het leven liet was het na de slag van Clontarf in 1014 gedaan met de invloed van de Noormannen.

In 1152 kreeg de Ierse kerk tijdens de synode in het Schotse Kells haar eerste constitutie. Het eiland werd verdeeld in vier bisdommen De aartsbisschop van Armagh werd de primaat. Deze situatie duurt voort tot op de dag van vandaag. Inmiddels ging de slag om het 'opperkoningschap' onverdroten verder. Eén van die koningen, Dermot MacMurough van Leinster, werd verslagen en ging steun zoeken bij de Engelse koning Hendrik II. In Engeland heersten de Normandiërs die in 1066 onder leiding van Willem de Veroveraar een invasie uitvoerden. In 1169 zette een eerste invasieleger van de Normandiërs voet aan wal in de buurt van Waterford.

Een bul die door paus Adrianus IV aan de Engelse koning Hendrik II was verleend (1155, Laudabiliter), gaf hem een motief om zich van Ierland meester te maken. Als pauselijk leen bleef Ierland tot in 1541 aan de Engelse koningen gebonden. De eerste tientallen jaren schikten de Ieren zich vrij gemakkelijk naar de nieuwe maatschappelijke orde (de Engelse wetgeving werd ook in Ierland van kracht; zo was er een koninklijk rechter en een parlement). In de 13de eeuw rees er verzet van de autochtone heersersfamilies die hun kans schoon zagen omdat de koninklijke macht sterk was uitgehold na de Magna Charta in Engeland. In de 14de eeuw echter werd het ook onrustig onder de oude Engelse immigranten die zich keerden tegen de nieuwe heren die bezit hadden maar zich nooit in Ierland lieten zien. De Ieren grepen deze kans aan zich weer meester te maken van grote delen van Ulster, Connaught en Leinster. Lionel, de hertog van Clarence, die was benoemd als onderkoning, trachtte het tij te doen keren: de Statuten van Kilkenny (1341) bevatten een verbod tot vermenging van de Ierse en Engelse bevolking. Ook het westen van het eiland werd feitelijk opgegeven, als zijnde 'bezet door Ierse bezetters of gedegenereerde Engelsen' (met andere woorden: de oude immigranten). Het rechtstreeks gezag werd dus nog slechts uitgeoefend op de smalle kuststrook in het oosten, genaamd de 'English Pale'. De koninklijke macht was ook beperkt vanwege de dynastieke oorlog die in Engeland zelf aan de gang was. Onder de regering van Eduard III had de graaf van Kildare zich haast een koninklijke positie aangemeten. Desalniettemin werden de Acts of the Irish estates (1460), waarbij Ierland een autonome wetgeving kreeg, herroepen.

In 1536-1537 werd ook door het Ierse parlement Hendrik VIII erkend als hoofd van de Kerk van Ierland en de afschaffing van de kloosters goedgekeurd. De Ierse leiders werden benaderd om, in ruil voor de erkenning van Hendrik als hoofd van Kerk en Staat, hun gronden 'rechtsgeldig' in ontvangst te nemen. Dit leidde in 1541 tot de erkenning door het parlement van Hendrik als koning van Ierland en dus niet langer als plaatsvervanger van de paus.

De poging om het protestantisme in te voeren had weinig succes en slechts onder Elizabeth I kon de onderkoning Thomas Radcliffe de kerk aan zijn gezag onderwerpen (1559-1566). Toch braken er in de tweede helft van de 16de eeuw opstanden uit. In 1607, na de Spaans-Engelse vrede (Spanje had de opstandelingen hulp verleend), moest de leider van de opstand, de graaf van Tyrone, tezamen met een honderdtal andere Ierse leiders vluchten. Deze zogeheten flight of the earls werd de oorzaak van een sterke verzwakking van de Ierse macht, zowel op politiek als op cultureel gebied. Zes graafschappen werden verbeurd verklaard en er werden voornamelijk Schotse protestantse immigranten gevestigd. Ook in andere delen van Ierland werden zij toegelaten, maar daar werden minder onrechtvaardigheden jegens de oorspronkelijke bevolking begaan. Juist in deze jaren begon de Contrareformatie op grote schaal door te dringen op het eiland en men kwam tot het gedeeltelijke herstel van de rooms-katholieke hiërarchie. De volgende etappe was die van de lord deputy Thomas Wentworth, die Ierland wilde inschakelen in de strijd tegen de puriteinen. Hij stierf op het schavot, de puriteinen bezetten belangrijke functies en na een opstand in Ulster, geleid door leiders van de oude geslachten (zoals de O'Neills), die met de vanouds gevestigde Engelsen een coalitie aangingen (1641), werden duizenden kolonisten vermoord of verdreven. De volgende jaren werd de strijd gekoppeld aan de strijd die Karel I zelf in Engeland moest aanbinden tegen Cromwell. Onder Cromwell zou de lijdensweg van de Ieren nog verergeren: een groot plan om hun alle gronden te ontnemen en hen die hem trouw waren geweest, samen in Connaught te brengen, terwijl de rest van het eiland onder protestantse immigranten zou worden verdeeld, kon echter slechts gedeeltelijk worden uitgevoerd. Na het herstel van het vorstenhuis stonden Karel II en Jacobus II voor de taak, zowel de oude inwoners van Ierland als de immigranten gunstig te stemmen.

In de eerste helft van de 18de eeuw bleven de protestanten de eerste viool spelen. Bovendien eiste het Engelse parlement de macht op voor Ierland wetten uit te vaardigen, ook al was het Ierse parlement zelf uitsluitend uit niet-katholieken samengesteld. Vanaf 1753 groeide in het Ierse parlement hiertegen verzet, die nog werd versterkt door de opstand van de Engelse koloniën in Noord-Amerika. Hervormingen in 1782 maakten van Ierland in theorie een onafhankelijk koninkrijk, in een personele unie verbonden met Groot-Brittannië. Semi-geheime en paramilitaire genootschappen zoals de United Irishman, voerden een zwakke opstand in de jaren 1796-1798, waaraan ook door Fransen werd deelgenomen. Om aan deze permanente staat van onrust een einde te maken besloot de Londense regering Ierland met Groot-Brittannië te verenigen en de Ierse vertegenwoordigers in het Britse parlement op te nemen. Deze Unie werd goedgekeurd op 1 augustus 1800.

De Ierse katholieken werden spoedig in hun verwachtingen beschaamd, omdat de regeringsleider Pitt zijn beloften niet kon verwezenlijken. Daarnaast verslechterde de economische situatie fors als gevolg van de unie. Eén van de leiders van de katholieke middenklasse, Daniel O'Connell, bevocht de goedkeuring van de Emancipation act (1829), waarbij katholieken in het parlement werden toegelaten en voor hen het grootste deel van de openbare functies werd opengesteld.

Hongersnood
De politieke problemen raakten tussen 1845 en 1847 op de achtergrond door een nationale ramp: de aardappelziekte. Deze ziekte, die ogenschijnlijk gezonde aardappelen in korte tijd veranderde in een hoopje stinkend zwarte drab, vernielde bijna de totale oogst. Aardappelen vormden hèt voedsel voor de gewone, arme Ieren en dus brak er een geweldige hongersnood (the Great Famine) uit. Meer dan een miljoen mensen stierven de hongerdood in Ierland. Daarnaast emigreerden honderdduizenden Ieren in wrakke schepen -"drijvende doodskisten"- naar de Nieuwe Wereld.

Vanaf 1869 werd door de Britse premier Gladstone een reeks liberaliserende maatregelen getroffen. De bekendste daarvan is de Irish land act. In 1870 werd de Home Rule-partij gesticht, die ijverde voor zelfbestuur binnen het Britse Rijk; één van de grote mannen ervan was Charles Stuart Parnell. De eerste Home Rule bill werd afgewimpeld in 1886, een tweede werd door het Hogerhuis verworpen in 1893. Dit tot woede van de Ieren, van wie een deel zich voortaan Iers-nationalist zou noemen. Zij groepeerden zich in Sinn Féin, in 1899 gesticht door Arthur Griffith. Door enkele hervormingen wilde de Britse regering het tij keren, o.a. door de Land Purchase act, die faciliteiten verleende voor de boeren die eigenaar van de door hen bewerkte grond wilden worden (1903), of door de stichting van de Nationale Universiteit (1908). Ondertussen werkte men aan een derde Home Rule bill, die in 1912 werd ingevoerd, doch nooit werd toegepast. Ondanks ruime Home Rule-aanhang rees hiertegen verzet in Ulster, waar de meerderheid van de bevolking uit anglicanen en presbyterianen bestond. Beide kampen bewapenden zich. Besprekingen op Buckingham Palace in juli 1914 tussen de twee rivaliserende partijen hadden geen resultaat. Vlak daarna brak de Eerste Wereldoorlog uit. Talloze Ieren namen als vrijwilligers dienst in het leger, maar de Britse minister van Oorlog, Lord Kitchener, haalde zich spoedig hun vijandschap op de hals.
Paasopstand
In 1916 brak in Dublin de Paasopstand uit, die slechts na zware gevechten door de Britten neergeslagen kon worden. Een aantal leiders van de Paasopstand, zoals James Connoly en Patrick Pearse werd geëxecuteerd. De Britse premier Lloyd George werd belast met een verzoeningsopdracht, doch struikelde over de kwestie Ulster. Als gevolg daarvan behaalde de Sinn Féin bij alle verkiezingen in die jaren de meerderheid. Zij ijverde voor zelfbeschikking op grond van de principes van de Amerikaanse president Wilson. De Ierse vrijwilligers, gegroepeerd in de Irish Republican Army (IRA), begonnen een guerrillaoorlog, waarop de Britten zeer heftig reageerden. Lloyd George ontwierp een nieuwe Government of Ireland Act. In afwachting van meer zelfbestuur zouden twee parlementen zetelen (een voor het zuiden, een voor Noord-Ierland), overkoepeld door een centrale raad. Het zuidelijke kwam nooit bijeen, het andere werd geopend op 22 juni 1921. De Britse regeringsleider ging toen onderhandelen met afgevaardigden van Sinn Féin, met als resultaat de oprichting van de Ierse Vrijstaat op 6 december 1921. Noord-Ierland bleef een deel van het Verenigd Koninkrijk.

#